Cultuuromslag nodig bij aanpak mensenhandel

Gepubliceerd op 2 juli 2019
Cultuuromslag nodig bij aanpak mensenhandel

De Tweede Kamer debatteert morgen over een van de speerpunten van het kabinet: de aanpak van mensenhandel versterken. Voormalig staatssecretaris Harbers presenteerde acht maanden geleden zijn programma ‘Samen tegen Mensenhandel’. Daarmee deed het kabinet een eerste stap in de vervulling van haar belofte in het regeerakkoord. Maar voordat zijn opvolger, staatssecretaris Broekers-Knol, kan spreken van daadwerkelijke versterking dient de Kamer de plannen bij te stellen. Daarvoor is meer geld nodig, maar vooral een cultuuromslag vereist. Want mensenhandel laat zich het best beschrijven door onzichtbaarheid.

De Nationaal Rapporteur Mensenhandel schatte in 2017 dat er per jaar zeker 1.300 minderjarige meisjes slachtoffer worden van seksuele uitbuiting, grotendeels onopgemerkt. Hoe kan het dan dat de klant schittert door afwezigheid in de kabinetsplannen? En dat de afgelopen vier jaar slechts 93 klanten zijn veroordeeld? In de Valkenburgse zedenzaak, waar een 16-jarig meisje seksueel werd uitgebuit, zijn 23 klanten veroordeeld (van de 60 tot 80 geschatte klanten). Het merendeel kwam weg met één dag cel en een taakstraf omdat de rechter oordeelde dat de klant niet bewust op zoek was naar seks met een minderjarige. Maar ligt er niet een zware verantwoordelijkheid bij de klant om uit te sluiten dat het een minderjarige is? Het is tijd dat de Kamer een einde maakt aan de vrijblijvendheid van de ‘onwetende’ klant, en deze ‘bevordert’ tot opsporingsprioriteit.

Ook is een omslag vereist in de positie van buitenlandse slachtoffers. Harbers besloot dat mogelijke – in praktijk vaak West-Afrikaanse – slachtoffers van mensenhandel uitgezet mogen worden vóór zij aangifte hebben kunnen doen. Deze aangiftes leveren vaak geen of weinig opsporingsindicaties op terwijl ze wel capaciteit van de politie opslokken.
Maar in het Koolvis-dossier (2012) gaven Nigeriaanse vrouwen in eerste instantie ook valse informatie, uit angst voor hun mensenhandelaren. De les is dat dit niet direct betekent dat er geen sprake is van slachtofferschap, integendeel. Wij zien op de lange termijn slechts één winnaar: de mensenhandelaar die – bij gebrek aan onderzoek – ongehinderd deze groep kan uitbuiten.

Mensenhandelaren zetten seksadvertenties nu doorgaans online, gebruiken versleutelde chat-apps en zoeken slachtoffers via social media. Maar dit kabinet investeert niet in innovatie. Zo wachten we al drie jaar op de landelijke uitrol van een webcrawler die automatisch seksadvertenties kan scannen op signalen van mensenhandel. Ook de zorg kan slimmer. Bij de Chat met Fier kunnen slachtoffers anoniem in gesprek met zorgverleners die proberen een vertrouwensband op te bouwen om slachtoffers uit de anonimiteit te begeleiden. Dergelijke initiatieven zijn echter grotendeels afhankelijk van private fondsen en inzet van eigen middelen, omdat het zorgbudget decentraal is geregeld en gemeenten alleen willen betalen voor slachtoffers die in hun gemeente wonen. Voor anonieme slachtoffers is dus geen budget. Zo is het zorgbudget vooral ingesteld op de 11 procent minderjarige slachtoffers die wél in beeld is.
Het kan en moet beter. Gelukkig is dit ook het uitgangspunt van dit kabinet. Daar zijn extra middelen voor vereist, maar het begint met een cultuuromslag. Het is nu aan de Kamer.

Shamir Ceuleers, senior beleidsadviseur Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel

Dit opiniestuk verscheen ook in NRC Handelsblad van 2 juli 2019

Volg ons op

Onderdeel van

Wij worden gesteund door

SteunOns