Blogs

Geen dwang bij minderjarige slachtoffers van mensenhandel

Geplaatst op 18-02-2014 door Jessica Schöning (0 reacties)

Op donderdag 13 februari 2014 stond bij de rechtbank Groningen een van de grootste mensenhandelzaken van de afgelopen jaren uit de noordelijke regio op de rol. Die dag heeft het Openbaar Ministerie tegen twee verdachten uit Groningen celstraffen van drie en vijf jaar geëist. De twee mannen wordt ten laste gelegd dat zij op z’n minst drie minderjarige meisjes tot prostitutie hebben gedwongen door hen aan te bieden als escorts op diverse sites op het internet. Eén van de verdachten was docent in het voorgezet onderwijs waar hij dagelijks te maken had met minderjarige meisjes zoals de slachtoffers.

Frappant in dergelijke zaken is altijd dat verdachten bij hoog en bij laag beweren dat slachtoffers hebben ingestemd met het werk in de prostitutie. Dat zij initiatiefnemers waren en er daarom geen sprake kan zijn van enige vorm van dwang. In deze zaak ging het nog een stukje verder. De advocaat van één van de verdachten durfde namelijk te beweren dat de slachtoffers onterecht zijn neergezet als onschuldige en argeloze meisjes. Volgens hem hebben twee van de drie slachtoffers immers eerder in de prostitutie gewerkt en kan er daarom niet meer vanuit worden gegaan dat zij tegen hun wil als escort hebben gewerkt. 

Klinkklare onzin uiteraard. Niet alleen moreel gezien maar ook vanuit het strafrechtelijk perspectief bezien. Kijkt men namelijk naar artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht dan blijkt al gauw dat lid 1 sub 5 zegt dat dwangmiddelen in zaken waar het gaat om minderjarigen geen enkele rol van betekenis spelen. De wil van de minderjarige in kwestie is zodoende niet relevant. Al zou het zo zijn geweest dat de slachtoffers zelf het initiatief hebben genomen om in de escort te werken dan nog is dat niet van belang voor de veroordeling van de verdachten. Eveneens is het niet van belang of slachtoffers reeds eerder, uit vrije wil, als escort hebben gewerkt. Want art. 273f staat nadrukkelijk in het teken van bescherming; de bescherming van het minderjarige slachtoffer tegen zichzelf en tegen derden die misbruik maken van de moeilijke situaties waarin minderjarige slachtoffers zich vaak bevinden.
De strafeis in aanmerking genomen kan ik overigens niet anders dan concluderen dat het Openbaar Ministerie in casu een soortgelijke uitleg van art. 273f handhaaft.

Jessica Schöning

jurist / projectmedewerker CKM

Reacties

Plaats een reactie