Blogs

Toegang bescherming voor slachtoffers mensenhandel blijft problematisch

Geplaatst op 14-02-2017 door Externe auteurs (0 reacties)

Verschillende belangen spelen een rol bij de opvang van slachtoffers mensenhandel afkomstig uit derde landen. De verblijfsregeling slachtoffers mensenhandel heeft een tweeledig doel: opvang en bescherming van slachtoffers en verzamelen van bewijs ten behoeve van de opsporing. Meer dan eens is door verschillende onderzoeken en instanties aangetoond dat deze belangen niet noodzakelijkerwijs samen gaan. Daarnaast prevaleert nog immer het opsporingsbelang en de angst voor misbruik van de procedure. Ondertussen vinden slachtoffers hun weg naar verblijfsrechtelijke bescherming in de asielprocedure.

Nederland kent een bedenktijd van maximaal 90 dagen maar heeft geen minimum gesteld aan de lengte van de bedenktijd. Het Verdrag van Warschau verplicht tot een bedenktijd van minimaal 30 dagen. Voldoet Nederland aan deze minimum norm? Uit dossieronderzoek bij de IND door een van mijn studenten, blijkt dat in 2014 in bijna 37% van de zaken waarin de bedenktijd werd toegekend aan een slachtoffer mensenhandel, deze korter was dan 30 dagen. De gemiddelde lengte van de bedenktijd in die zaken was 10,4 dagen. Daarnaast werd in 2014, 88 keer een verblijfsrecht slachtoffer mensenhandel aangevraagd zonder dat deze vooraf werd gegaan door een bedenktijd. Onder invloed van angst voor misbruik van de verblijfsregeling mensenhandel en om de doorlooptijden van de procedure te verkorten werd de pilot kansloze aangiften verblijfsregeling mensenhandel gestart. Deze werd in 2014 geëvalueerd. Een van de doelen was om de afdoening van aangiftes met weinig opsporingsindicaties binnen 10 werkdagen af te doen. De evaluatie meldt dat deze doelstelling ruimschoots werd behaald, de gemiddelde termijn voor behandeling van aangiftes met weinig opsporingsindicaties was 8 werkdagen. Bij aanvraag van voortgezet verblijf wordt het sepot vaak tegengeworpen. Alhoewel begrijpelijk vanuit een opsporingsbelang staan de korte bedenktijd en de snelle sepotbeslissing op gespannen voet met het belang van het slachtoffer en de verplichtingen uit het Verdrag van Warschau. We weten dat slachtoffers uit angst, schaamte en/of culturele barrières vaak niet direct hun verhaal doen. Het opbouwen van een vertrouwensrelatie is dan nodig om dit te bewerkstelligen maar dit kost tijd en vergt betrokkenheid. Vanuit een belang van het slachtoffer (en daarmee indirect ook de opsporing) zouden we moeten investeren in het opbouwen van een vertrouwensrelatie. Dit kan door de bedenktijd te gebruiken waarvoor die is bedoeld; slachtoffers ruimte geven een weloverwogen keuze te maken om al dan niet aangifte te doen en een periode van rust geven om te herstellen door een minimale bedenktijd van 30 dagen in acht te nemen, conform internationale verplichtingen. Ook kan de invoering van de pilot multidisciplinaire advisering een bijdrage leveren aan een verbeterde inschatting van slachtofferschap.  Aangiften van West-Afrikaanse slachtoffers mensenhandel hebben vaak te weinig indicaties om een opsporingsonderzoek te starten wat leidt tot een sepot van de strafzaak en grote kans op afwijzing van een aanvraag voortgezet verblijf.

Een tweede punt dat ik hier wil aansnijden is de ervaringen van uitbuiting en mensenhandel tijdens migratie, dus nog voordat het slachtoffer in Nederland aankomt. In navolging van het IOM schreef de VN rapporteur mensenhandel, Maria Grazia Giammarinaro, in haar laatste rapport van november 2016 dat 70% van alle migranten die via Noord-Afrika Europa bereikt slachtoffer is van mensenhandel. Ik zou er niet voor willen pleiten al deze slachtoffers bij aankomst in Nederland de bedenktijd en de B8 aan te bieden maar op dit moment is de toegang daartoe feitelijk onmogelijk. Door de voorwaarde dat er sprake moet zijn van een strafrechtelijk onderzoek bij verlening van de B8, wordt deze groep praktisch uitgesloten van verblijfsrechtelijke bescherming voor slachtoffers mensenhandel. Immers, alleen al door een gebrek aan jurisdictie ligt het niet voor de hand dat het Nederlands OM een onderzoek gaat starten naar mensenhandel en uitbuiting in bijvoorbeeld Agadez, Niger. Gezien het beperkt aantal strafrechtelijke onderzoeken in Nederland naar West-Afrikaanse mensenhandelaren en de beperkte mogelijkheden voor West-Afrikanen om een asielstatus te krijgen hebben ook deze praktijken een negatieve invloed op de beschermingskansen van West-Afrikaanse slachtoffers. Andere landen zijn meer succesvol zijn om deze mensenhandelaren te vervolgen. Het verlenen van bescherming aan een slachtoffer indien in een ander (EU) land een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld tegen de mensenhandelaren van wie hij/zij slachtoffer is geworden, zou een eerste stap kunnen zijn in de versterking van diens positie. Daarnaast zou het helpen wanneer een verleende slachtofferstatus in een ander (EU) land overdraagbaar is of erkend zou worden door Nederland. Een vorm van wederzijdse erkenning zoals we die in de EU kennen t.a.v. gerechtelijke beslissingen zoals het Europees Arrestatiebevel, maar dan van de status van slachtoffer ten behoeve van diens bescherming.

Conny Rijken
Professor of Human Trafficking and Globalisation at Tilburg University INTERVICT

 

Naar overzichtKijk ook op mensenhandelweb.nl

Reacties

Plaats een reactie